| Preek van de week |
|
|
||
| 21 februari - eerste vastenzondag |
|
|
Lezingen: Deuteronomium
26,4-10
Wenst u de preken
thuis in uw elektronische postbus
te ontvangen?
U kunt
reageren
|
|||||||||
|
Door de Geest werd Jezus naar de woestijn geleid, door de duivel
werd hij er op de proef gesteld. Als je dat hoort, krijg je de indruk dat die
twee, de Geest èn de duivel, samenspannen om Jezus op de proef te stellen. En
inderdaad, ze zijn allebei betrokken bij dat gebeuren. De woestijn is het decor
voor de confrontatie tussen de Geest die Jezus bezielde en de satan, de duivel,
de lasteraar, de boze of hoe hij verder ook genoemd wordt. Jezus moest kiezen tussen macht of dienstbaarheid. Macht kan
heel verleidelijk zijn. Maar wie kiest voor een wereld die bezield is door Gods
Geest, kiest voor machteloosheid en dienstbaarheid. Want enkel in machteloosheid
en dienstbaarheid kan Gods koninkrijk (een wereld van gerechtigheid en liefde)
doorbreken.
Jezus had gemakkelijk misbruik kunnen maken van zijn macht,
zijn talenten en zijn mogelijkheden. Hij werd er regelmatig toe aangezet. Het
volk wil hem tot koning kronen; de leiders vragen een ondubbelzinnig teken als
bewijs dat hij de Messias is; de leerlingen willen hem afhouden van zijn
lijdensweg... Maar Jezus bleef trouw aan zijn oorspronkelijke roeping. De strijd die Jezus moest voeren is de strijd waar elke mens
in zijn leven mee te maken krijgt. Op zulke momenten wordt je geconfronteerd met de vraag: ‘Welke
kant kies ik? Wil ik ondanks alles mijn leven toch laten bezielen door Gods
Geest? Weiger ik mij te laten verleiden door eigenbelang, macht, aanzien of
bezit?’ Als al deze dingen op de eerste plaats komen in je leven, keren ze
zich uiteindelijk tegen jezelf. Ze ketenen je, ze maken je onvrij. Je wordt de
slaaf van aardse goden die je achterna loopt.
Het verhaal van Jezus' bekoringen in de woestijn leert ons
dat je niets van wat geschapen werd mag verafgoden en aanbidden. Dat is een
aartsmoeilijke uitdaging en opdracht. Dat brood en spelen de mens méér
aanspreken dan het woord dat uit Gods mond komt, is van alle tijden. Je moet er
de geschiedenis van het uitverkoren volk maar eens op nalezen. Het is één lang
verhaal van menselijke zwakheid en boosheid. En ook in de zogenaamde
woestijnperiode, de bevoorrechte periode waarin de Israëlieten één volk
vormden en God nabij wisten, stierven ze met eten in de mond, vereerden ze het
gouden kalf en vertrouwden ze op eigen macht.
In het evangelie tekent Lucas ons Jezus als de persoon die
dezelfde beproevingen doormaakt als het Joodse volk, maar die trouw blijft aan
zijn roeping. De mens moet zich bewust blijven dat hij schepsel is en dat God
zijn Schepper is. Als hij dit vergeet is hij als een weeskind dat zijn
afstamming niet meer kent en gaat hij zich gedragen als bezitter, gaat hij een
plaats innemen die hem niet toebehoort en gaat hij leven als iemand die aan
zichzelf genoeg heeft.
De veertigdagentijd is voor christenen de uitgelezen tijd om
weer op zoek te gaan naar zin en betekenis van het bezig zijn en om weer grond
onder de voeten te krijgen. Vaste, dragende grond om op te staan, geworteld in
het oude visioen van een goede schepping, een vredevolle wereld en vrije mensen.
Het is wachten op de komst van zo’n messiaanse tijd.
Gerard Braet o.p. |
| |