| Preek van de week |
|
|
||
| 21 februari - eerste vastenzondag |
|
|
Lezingen: Deuteronomium
26,4-10
Wenst u de preken
thuis in uw elektronische postbus
te ontvangen?
U kunt
reageren
|
|||||||||
|
Je moet
niet in de duivel geloven om te weten dat je gevoelig bent voor de
bekoorlijkheid van het kwaad. Je ondervindt het iedere dag, en wie geeft
er soms niet aan toe? Zelfs Jezus, mens zoals wij, heeft het
ondervonden. Maar hij gaf er niet aan toe. Hij heeft ertegen gevochten
en het overwonnen. De duivel moest het opgeven. Dat Jezus uitgerekend veertig dagen in de woestijn is
gebleven, verwijst natuurlijk naar de woestijntocht van het joodse volk die
veertig jaar heeft geduurd. Er staan in de bijbel nog andere verhalen over
ingrijpende woestijnervaringen. Het zijn stichtingsverhalen. Over de aartsvader
Jakob, eenzaam op de vlucht als iemand die geen thuis meer heeft, met slechts
een steen als hoofdkussen om op te slapen. Als hij uit zijn droom ontwaakt,
wéét hij het met een volstrekte zekerheid: ik ben niet alleen, hier is God,
maar ik wist het niet. Over Mozes die is moeten wegvluchten. De verschroeiende
woestijnhitte zet een braamstruik in brand, maar die brandt niet op. Mozes komt
tot het besef: dit is een heilige plaats, hier kan men God ontmoeten. En Jahwe,
de God van zijn vaderen, roept hem. Hij wordt belast met een ongelooflijk zware
opdracht. Maar hij krijgt een belofte: de naam zelf van God. 'Ik ben die bij u
is'.
Dit zijn fundamentele voorbeelden van hoe het mensen kan
vergaan met God. Aan het begin van de vasten krijgen ze een bijzondere
betekenis. Hun boodschap is: wij kunnen God meer beleven dan we dagelijks menen
te ervaren.
Wie of wat God voor ons werkelijk betekent, kan ons openbaar
worden en tot ons doordringen telkens wanneer we tot het besef komen dat de
wereld waarin we ons bewegen niet plat is. Wanneer we iets ondervinden of
vermoeden van de hoogte of de diepte die we meestal niet zien omdat we er niet
op letten. Dat is de Jakob-ervaring: hier is God, en ik wist het niet. Nu weet
ik het, God is op mij toegetreden. Hoogte of diepte kunnen voor ons opengaan als
we tegen de grenzen van onze beperktheid stuiten. Als ons iets kostbaars te
beurt valt dat we zelf niet hunnen maken of kopen; iets dat we niet verdienen.
Zulke hoogte of diepte kunnen we alleen gewaarworden als de
wereld van alles wat ons omringt en ons leven vult, leeg wordt, als we alle
bijkomstigheden wegruimen. Als we ze achter ons laten, of als ze worden
weggerukt. Als we ons welbewust keren of als we gedwongen worden, tegen wil en
dank, ons te keren tot het weinige dat werkelijk essentieel is.
Een woestijn waar het leeg is en stil kunnen we opzoeken.
Daarvoor hoeven we meestal niet eens zo ver weg te gaan, maar het zal ons wel de
nodige inspanning kosten. Maar met ieder van ons zal het al wel gebeurd zijn dat
hem of haar de woestijn van leegte en stilte overvalt. Alle bijbelse verhalen over woestijnbelevenissen zijn
roepingsverhalen. Dat is ook ons eigen Ievensverhaal. Laten we het elkaar
toewensen en ervoor bidden dat niemand van ons zijn of haar roeping ontvlucht.
Elk jaar opnieuw is de vasten een tijd die een oproep inhoudt om ons te bekeren.
Daarvoor moeten we ons niet noodzakelijk onderdompelen in boetedoening. We
moeten niet in zak en as lopen. Het voornaamste is dat we ons durven keren naar
de hoogte en de diepte van ons bestaan. Daar vinden we een antwoord op de vraag
van het lied dat we soms zingen: "Hoe is uw naam, waar zijt Gij te vinden,
eeuwige God, wij willen U zien."
Dan kan ons de vreugde te beurt vallen die
ons blij doet zeggen en zingen: ik heb iets van de genadige God mogen beleven.
J. Van Oostveld
|
| |