| Preek van de week |
|
|
||
| 10 oktober - achtentwintigste zondag 2010 |
|
|
Lezingen:
2 Koningen 5,14-17
Wenst u de preken
thuis in uw elektronische postbus
te ontvangen?
U kunt
reageren
|
|||||||||
|
'Godzijdank!' hoor je mensen
soms zeggen als ze aan een dreigend gevaar zijn ontsnapt of hun onverhoopt
te beurt is gevallen waar ze vergeefs naar uitgekeken hebben. Maar menen ze
echt wat ze zeggen? Danken ze God omdat hij ervoor heeft gezorgd? Zeer
waarschijnlijk is het niet meer dan een spontane uitroep van blijdschap.
Toch hebben we veel redenen om God te danken voor veel dingen die ons te
beurt vallen. De Joodse wet schreef voor dat iemand die officieel
melaats was verklaard "zijn kleren (moest) scheuren, zijn haar los
laten hangen, baard en snor bedekken en 'onrein, onrein' roepen"
(Leviticus 13,45). Een luide waarschuwing: 'Pas op, blijf uit mijn buurt!'.
Hij moest apart gaan wonen, afgezonderd van de gemeenschap der gezonde
mensen.
De tien melaatsen riepen iets anders. 'Jezus, ontferm u
over ons!'. Jezus deed niet wat ze misschien hoopten en al eerder had gedaan
(zie Lucas 5,13). Hij respecteerde de wet en raakte hen niet aan. Hij zei
gewoon dat ze nog eens naar de priesters moesten gaan die hen genezen konden
verklaren.
De Samaritaan die onderweg zijn genezing constateerde,
keerden zich om. Hij bekeerde zich tot de ware God die geen onderscheid
tussen personen maakt en tussen hen niet de grenzen trekt die mensen
trekken. En hij loofde God. Dat deed ook de melaatse Syrische generaal die
weer een gezonde huid kreeg (zie de eerste lezing). Eigenlijk zijn de twee
genezingsverhalen dus bekeringsverhalen. Een les voor de 'ware' Joodse
gelovigen.*
Van melaatsheid hebben wij in onze streken nooit veel
last gehad. Waar ze vandaag nog voorkomt is die huidziekte gemakkelijk te
genezen. Een doeltreffende behandeling kost volgens de Damiaanactie maar 40
euro per patiënt. Maar er bestaat ook een onderhuidse melaatsheid en daar
hebben wij wel veel last van. Iedereen dreigt erdoor aangetast te worden. De
symptomen zijn duidelijk zichtbaar. We zien ze aan het woekeren in
allerhande vormen van openlijke en subtiele sociale uitsluiting. Ze woekert
waar mensen andere mensen mijden als de pest en in de marge isoleren. Mensen
die niet tot 'de onzen' behoren omdat ze uit den vreemde komen. Omdat ze
anders leven en denken dan onze normen voorschrijven. Onderhuidse
melaatsheid maakt ons samenleven ziek.
Tegen die ziekte is geen geneeskundig kruid gewassen. Om
ervan genezen te worden is een bekering nodig. We moeten ons bekeren tot
onze God die tussen de mensen niet de lijnen en grenzen trekt die wij
trekken. En als we dan de tekenen van onze genezing ervaren, moeten we een
voorbeeld nemen aan de genezen Samaritaan. God loven en danken.
Want ook ondankbaarheid is een ziekte waaraan veel mensen
lijden. Ze vinden het normaal dat hun wieg hier stond, dat er mensen zijn
die om hen geven, dat ze talenten hebben gekregen en ze konden ontwikkelen,
dat ze gezonde kinderen hebben, een fatsoenlijk inkomen en welvaart en
welzijn. Ze staan er niet bij stil dat het hun zomaar, onverdiend is
gegeven. God zij dank!
We beseffen veel te weinig hoe veel redenen we hebben om
God op beide knieën te danken. Aan God hebben we het ook te danken dat we
veel goede mensen mogen danken die er mee voor zorgen dat ons de dingen te
beurt vallen die we niet zelf hebben verdiend. Onze dankbaarheid bewijzen we
het best door hen die zo veel levensbelangrijke dingen moeten missen niet te
mijden als waren ze melaats, maar er mee voor te zorgen dat ze menswaardig
te kunnen leven.
* De volgende alinea is geïnspireerd door Cees Remmers, Het
woord doen, Gooi & Sticht 2003, p. 143
B.J. De Clercq o.p.
|
| |