| Preek van de week |
|
|
||
| 10 oktober - achtentwintigste zondag 2010 |
|
|
Lezingen:
2 Koningen 5,14-17
Wenst u de preken
thuis in uw elektronische postbus
te ontvangen?
U kunt
reageren
|
|||||||||
|
Toch wel merkwaardig dat die Samaritanen, dat ketters tuig,
bij Lucas een voorbeeldfunctie toebedeeld krijgen. Of komt dat omdat hij
gewoon niet anders kan, gezien de gemeenschap waarvoor hij zijn boodschap
verkondigt? De meerderheid is niet vertrouwd met de joodse traditie. Hij
beseft dat hij het verhaal over Jezus op een nieuwe manier moet vertellen.
Alleen zo is er toekomst voor de Jezusbeweging. Er zullen zich in die eerste
eeuwen nog dergelijke ontwikkelingen voordoen. Traditie is namelijk geen
dwangbuis. Traditie is dragende grond, stimulerende inspiratie bij steeds
nieuwe uitdagingen.
Deze flexibiliteit is reeds duidelijk in het Nieuwe Testament
zelf. Met een duur woord noemen we dat: ‘contingentie’. Dat betekent:
zoals ze thans voorligt is de Jezusbeweging gewoon mensenwerk met alle
kenmerken van dien: feilbaar, voorlopig, toevallig zus of zo. Maar niet
onfeilbaar of door God zo bepaald. De verscheidenheid die we aantreffen
hoeft dus niet te verwonderen. Hetzij in Jezusbeelden, hetzij in
kerkbeelden. Er is geen van bovenaf verplichte vorm van christelijk leven.
Het is allemaal mensenwerk. Zo gaat het de hele geschiedenis door.
Toevallige factoren hebben er toe geleid dat de christelijke beweging
staatskerk werd, dat ze verwikkeld geraakte in een machtsstrijd met de
wereldlijke heersers. We kunnen aanwijzen hoe het komt dat de kerk tot een
machtsinstituut is uitgegroeid. Daar ligt zeker geen goddelijke wil aan ten
grondslag. Het had evengoed anders gekund.
Dat geldt ook voor de aanspraken die de kerk voor zich is
gaan opeisen. Ze ging er zich op beroepen de waarheid te bezitten, en wel
door goddelijke openbaring. Elke relativering daarvan was kortzichtig
mensenwerk.
Bovendien zorgde die goddelijke openbaring ook voor een
absoluut betrouwbare continuïteit. In de leer kon de kerk niet falen. Die
leer was dus ook altijd in overeenstemming met het verleden. Van breuken was
gewoon geen sprake. Alles wat de kerkleiding voorhoudt is in het verlengde
met wat destijds werd voorgehouden. De homogeniteit met het verleden
prevaleert. Om dat te illustreren worden in kerkelijke documenten ten
overvloede teksten geciteerd van vroegere pauselijke uitspraken, vroegere
concilies. Ze moeten duidelijk maken dat er nooit iets nieuws gezegd wordt.
Men houdt het steeds bij dezelfde leer.
Daarom gaat de huidige paus ook zo te keer tegen de
hedendaagse cultuur waar zo veel vaste overtuigingen van vroeger in vraag
worden gesteld. De visie op andere godsdiensten en de vragen die gesteld
worden bij het uniek karakter van het christendom, de vrijheid van geweten
die als evidentie ervaren wordt, eeuwenoude morele normen die in vraag
worden gesteld, maatschappelijke erkenning van het homohuwelijk, politieke
systemen die pretenderen de menselijke vrijheid of de solidariteit te
dienen. Alsof dat allemaal moet kunnen. Wij zijn beland in de dictatuur van
het relativisme. En daaraan mogen we niet toegeven.
De recente klemtonen van het kerkelijk beleid illustreren
nog maar eens het onvermogen van de kerk om haar contingentie te aanvaarden.
Twee voorbeelden.
Ik stel vast dat de kerkleiding gewrongen zit met de
relatie tussen het godsvolk aan de basis en de ambtsdragers. Eigenlijk wil
men het hiërarchisch karakter van de kerk wat in ere herstellen. Vooral het
priesterschap is teveel op de achtergrond geraakt.
Een tweede voorbeeld is de manier waarop de rechte leer
opnieuw wordt centraal geplaatst. Catechese voor volwassenen hebben we
nodig. Ik vind dat heel juist. Toen ik echter de film Des hommes et des
dieux zag werd me heel scherp duidelijk dat ten diepste een ervaring
nodig is. Een beleving.
Wanneer die Franse Trappistengemeenschap naar Tibhirine
is getrokken was dat niet met de bedoeling de waarheid uit te dragen, niet
om te missioneren, niet om mensen te dopen of om ze van hun ‘verkeerd’
geloof af te helpen. Ze zijn er naar toe gegaan om door hun aanwezigheid te
laten zien dat samenleven in vrede mogelijk is. Dat mensen van verschillende
godsdiensten in respect en waardering voor elkaars overtuiging en gebruiken
een plek van vreedzaam samenleven kunnen zijn. Ze deden dat vanuit hun
doorleefde bijbelse traditie. Dat was hun inspiratie en dragende grond. Daar
hoefden ze niets aan af te doen.
Maar ze leerden ook de diepe inspiratie ontdekken van de
moslim traditie. Er was vooral het dagelijkse leven dat ze deelden, waardoor
samenhorigheid groeide. Een verbondenheid die onder meer blijkt uit het mee
vieren van elkaars feesten. Ze hadden geen andere bedoeling dan er te zijn
als vriend van de mensen. Niets anders. Geen poging ondernemen om een
bekering uit te lokken. Integendeel. Zonder zorgen omtrent praktische
resultaten en zonder nuttigheidsoverwegingen.
Hier is een andere logica voelbaar. Besef van de
contingentie van de eigen religieuze traditie is geen relativisme. Het
brengt wel zin voor relativiteit mee. En menselijke verbondenheid in de
diepte. Aan weerszijden gedragen door een religieuze beleving. Zin voor
relativiteit bewerkt openheid voor de waarde van de ander. Ze wordt aldus
werktuig van vrede.
Ignace D’hert o.p.
|
| |