| Preek van de week |
|
|
||
| 24 oktober - dertigste zondag 2010 |
|
|
Lezingen:
Jesus Sirach 35,15-17.20-22
Wenst u de preken
thuis in uw elektronische postbus
te ontvangen?
U kunt
reageren
|
|||||||||
|
Een 'groots' zondaar
Al te gemakkelijk wordt de parabel over de Farizeeër en de
tollenaar opgevat als een schematische zwart-wit-confrontatie tussen goed en
kwaad: een huichelachtige farizeeër die zich hoog verheven acht boven een
rouwmoedige zondaar. Een karikatuur waar niemand zich echt in herkent. En zo
wordt de impact van het verhaal bij voorbaat geneutraliseerd. Het lijkt
alsof Jezus (of was het de evangelist) dat heeft voorzien, want aan de
parabel gaat een uitdrukkelijke adressering vooraf: "Deze gelijkenis
heeft diegenen op het oog die overtuigd zijn van eigen rechtvaardigheid en
neerzien op anderen." (v. 9).
Dat 'op anderen neerkijken' uit den boze is, daarover
zijn we het allemaal eens - althans in theorie. Maar het gaat om net iets
anders. Jezus richt zich tot een heel specifieke groep: tot mensen die
overtuigd zijn van hun eigen rechtvaardigheid, en op grond daarvan
neerkijken op diegenen die, volgens hun normen, een immoreel leven leiden.
Van dat soort mensen is onze Farizeeër het prototype. Wat voor een man is die Farizeeër? Zeker geen slechterik
in de klassieke betekenis van het woord. Geen huichelaar die in de tempel de
vrome gelovige uithangt en 's nachts de katjes in het donker knijpt. Hij is
een eerlijk man. Wat hij biddend tot God zegt, is authentiek. Hij houdt zich
niet alleen strikt aan regels en geboden, hij doet heel wat meer dan waartoe
de joodse voorschriften hem verplichten: joden moeten vasten op de 'grote
verzoendag', Jom Kipoer, één keer per jaar dus; hij doet het twee keer per
week. En 10 percent van je inkomen afdragen aan de armen in een tijd dat het
fiscaal attest nog niet was uitgevonden, is ook niet mis. Die man zet zich
ten volle in om door gebed, vasten en offer te leven op een wijze die God
welgevallig is. Om deze en nog meer redenen genoten Farizeeën een goede
reputatie bij het brede publiek. Tollenaars daarentegen werden verfoeid als
uitzuigers en collaborateurs met de Romeinse bezetter. Voor de oorspronkelijke hoorders van de parabel zal het
dan ook een schok geweest zijn Jezus te horen besluiten dat wel de
tollenaar, maar niet de alom gewaardeerde Farizeeër, gerechtvaardigd naar
huis ging. Wat is er dan mis met de man? Met wat hij doet, is niets
mis, integendeel. Maar het is mis met de mentaliteit die daarachter
schuilgaat. Hij beschouwt zijn vasten en offeren als bijzondere prestaties
die God op zijn hemelse bankrekening moet bijschrijven. Hij vindt dat hij
daar recht op heeft; hij vindt dat God daartoe verplicht is; hij maakt God
aan zich verplicht; hij maakt God tot schuldenaar en zichzelf tot
schuldeiser tegenover God. 'Overtuigd als hij is van eigen
rechtvaardigheid' meent deze Farizeeër dat hij zichzelf kan
rechtvaardigen: zijn eventuele pekelzonden heeft hij immers ruimschoots
weggepoetst met zijn vasten en offeren. Au fond heeft hij daarvoor Gods
vergeving niet nodig - Die moet er alleen maar akte van nemen. In die zin
zou je zijn gebed 'goddeloos' kunnen noemen. Daarom luistert God niet naar
dit gebed. Het zit mis met die Farizeeër omdat hij zo zelfzeker bij
zijn eigen leven een uitroepteken plaatst, en vraagtekens bij dat van
anderen. Overtuigd van eigen rechtvaardigheid kijkt hij neer op die anderen,
op die zondaars, en dus ook op "die tollenaar daar" (v.
11). Hier zit dan ook de finesse van het verhaal. Zonden en
kwaad zijn nooit goed of mooi; maar een zondaar kan wel groots zijn, ondanks
zijn zondigheid. Daarvan is onze tollenaar het prototype. Kwaad doen is zonde; zijn kwaad ook nog goedpraten is
zoiets als 'zonde in het kwadraat': 'Ach, zo erg is dat toch niet
zeker?' of 'Iedereen doet het toch als hij de kans krijgt!'. Zondigheid is geneigd zichzelf te ontkennen, weg te
praten in plaats van te erkennen. Zo strooit de zondaar zichzelf zand in de
ogen, brengt hij zijn eigen geweten in verwarring. Op de duur is hij zich
van geen kwaad meer bewust omdat hij het verschil tussen waar en vals heeft
weggeredeneerd. Die grote verdwijntruc leidt ertoe dat, waar zondebesef op
zijn plaats zou zijn, een gevoel van trots de kop opsteekt:
'Dat heb ik
weer mooi geflikt!'. En tegelijk is de drempel om, als de gelegenheid
zich voortdoet, het nog eens over te doen, een flink stuk lager geworden. Dit is geen vage ver-van-ons-bed-praat. Een concreet
voorbeeld. Als in dit land belastingsontduiking een nationale sport is, en
administratieve spitstechnologie om belastingen te 'ontwijken' big business
is, dan heeft dat mijns inziens heel veel te maken met - minstens op dit
punt - weggeredeneerde morele feeling. Om je zondigheid te erkennen, om je kleinmenselijkheid
onder ogen te zien, moet je tegen de stroom oproeien. Het vergt moed en het
getuigt van grootmenselijkheid - leert Jezus ons - om, zoals de tollenaar,
vraagtekens te durven plaatsen bij je eigen dagelijkse doen en laten. De
tollenaar beseft dat zijn beroep zich leent tot verkeerde dingen -
oneerlijkheid, machtsmisbruik, zwart geld, relatiedinertjes al of niet met
steekpenningen onder tafel. Hij betreurt dat, maar hij kan zijn beroep niet
opgeven zonder zijn toekomst en die van zijn gezin op het spel te zetten. In
die zin staat hij met de rug tegen de muur. Daarom waagt hij het niet zijn
ogen op te slaan, buigt hij het hoofd en klopt zich op de borst: "Heer,
wees mij zondaar genadig". En, zegt Jezus, "deze man ging
gerechtvaardigd naar huis". Wat deze gerechtvaardigde tollenaar thuis ging doen,
vertelt Jezus er niet bij. Maar we hebben wel enig vermoeden als we volgende
zondag horen dat zijn collega Zacheüs, aangekeken door de vriendelijke ogen
van Jezus, zich voorneemt viervoudig terug te geven wat hij onrechtmatig in
eigen zak gestoken heeft (Lucas 19,8). Jezus prijst de tollenaar, niet omdat hij zondig is, maar
omdat hij zijn zondigheid onder ogen durft zien, en er de nodige
consequenties aan verbindt. Marc Christianes o.p. Schilde |
| |