| Preek van de week |
|
|
||
| 21 november - Christus Koning 2010 |
|
|
Lezingen: 2
Samuël 5,1-3
Wenst u de preken
thuis in uw elektronische postbus
te ontvangen?
U kunt
reageren
|
|||||||||
|
Alle Belgen zijn, staatstrechtelijk gesproken, onderdanen van
een koning. Nederlanders van een koningin. Bekeken met de ogen van Jahwe vielen de koningen van
Israël, ook de bestbekende: Saul, David en Salomo, bij allemaal door de
mand. De ene brandt van jaloezie, de andere valt voor de schoonheid van een
badende vrouw, nog een andere laat zich verleiden tot afgodendienst.
De koningen deden wat kwaad was in Gods ogen en God
vernietigde dat koningschap.
Nog afwijzender is de Schrift voor de koningen van het
buitenland. En dan is er Nebukadnesar, de koning van Babel in die
tijd, de 6de eeuw voor Christus, de machtigste man op aarde. Zijn opvolger Belsjassar is het prototype van de despoot:
hij doodt wie hij wil en laat leven wie hij wil; hij verheft en vernedert
wie hij wil.
In de Schrift is de koning het prototype van de
machthebber. Dat is: de mens die de wereld naar zijn of haar hand wil
zetten. Koningen die als alleenheersers geen oog of oor hebben voor wie dan
ook, behalve voor zichzelf.
De koning is in de Schrift verworden tot een despoot die
regeert, niet voor het welzijn van wie hem zijn toevertrouwd, maar die
onderdanen, de ondergeschikten hanteert voor het eigen belang, het eigen
gelijk en de eigen macht.
Voor de Schrift is zo'n koning de tegenpool van God. Ook Jezus aan wie de titel 'Christus koning' is
toegekend. Want God is in hem voor kleine mensen bereikbaar en machtigen
stoot hij van hun tronen.
De God van de Schrift zit niet als een onbewogen
albeweger op zijn troon 'daarboven'. Hij is een koning die toetst, hoort en
ziet en voor zijn mensenkinderen kiest.
Op dit punt is de Schrift partijdig. In zijn opvatting
over het koningschap geeft de Bijbel stem en steun aan de slachtoffers van
de despotische koninklijke macht. Wat dit betreft is de bijbel
verzetsliteratuur: uiting van verzet tegen uitbuiting en niets ontziend
despotisme.
De Bijbel laat er geen twijfel over bestaan aan wiens
kant hij staat en wie waarachtig God is.
Voor een gemeenschap van christen gelovigen betekent dit
twee dingen.
Ten eerste, zondag na zondag hebben wij ons af te vragen:
Wie is in mijn leven, in mijn hart, eigenlijk de god? Dat verschilt grondig
dan de vraag: bestaat er wel een God? Ten tweede, het is onze opdracht de partijdigheid van de
God van Israël, van Jezus die Christus Koning wordt genoemd, zichtbaar te
maken en zodoende waar te maken aan wiens kant we staan. Als de Schrift zich substantieel tegen die schijngoden
verzet, moeten wij uit kracht van deze erfenis alle goden van gips en gulden
snee te lijf gaan.
Ons verzet tegen de goden van goud en zilver, van geld en
goedkoop gesteente is een getuigenis voor hem die dit weekeinde in de
kerkelijke liturgie als Christus Koning wordt geëerd.
Herman Van Tulder o.p., Knokke
|
| |